Getuigenis voorafgaand aan mijn pastorale inzegening (Nationale inzegening op 31 mei 2026)
Nu mijn pastorale inzegening nadert, kijk ik met diepe dankbaarheid terug op de weg die ik heb afgelegd. Voordat ik tot het ambt werd geroepen, was ik in de eerste plaats een man met een verleden, relaties en eenvoudige geneugten. Ik hou van wandelen, lezen – vooral spirituele verhalen, romans en filosofische werken – en van momenten die ik met mijn dierbaren deel tijdens een maaltijd of een gezelschapsspel. De waarden van familie en broederschap zijn bepalend voor mijn menselijke relaties. Mijn familie en vrienden zijn altijd een essentiële steun geweest; zij hebben mij geholpen om te leren luisteren, geduld te hebben en trouw te zijn. Deze aspecten zijn niet vreemd aan mijn roeping: ze vormen er juist de basis van. Dominee zijn betekent niet dat je je van de wereld afkeert, maar dat je ten volle in het leven met anderen staat en daarin de aanwezigheid van God onderscheidt.De voorbereiding op de inzegening heeft voor mij een dubbele dimensie, zowel innerlijk als concreet. Innerlijk, omdat ze beschikbaarheid, gebed, bezinning op het leven en het nederig aanvaarden van mijn beperkingen vereist. Concreet, omdat ze me verplicht om zeer reële verantwoordelijkheden op me te nemen: begeleiden, prediken, organiseren en een gemeenschap leiden. Ik beleef deze tijd als een overgang. Het gaat er niet om een onbereikbare perfectie na te streven, maar om te aanvaarden dat ik gezonden word zoals ik ben, met mijn sterkes en zwaktes, in vertrouwen op God.
Mijn weg naar het pastoraal ambt is geleidelijk aan gevormd. Eerst was er een discrete maar aanhoudende roeping, het gevoel dat God mij opriep om een missie te vervullen die mij te boven ging. Daarna volgden de fasen van bezinning, de studies, de ontmoetingen en de stages. Niets verliep echt rechtlijnig, en het is ongetwijfeld deze complexiteit die dit traject zijn diepe betekenis heeft gegeven. Elke fase heeft mij gevormd en mij geleerd beter te begrijpen wat het betekent om de Heer te dienen in zijn Kerk.
Verschillende woorden hebben mij bijzonder begeleid, maar op dit moment komen er twee in me op. De eerste is ontleend aan de Schrift: “Mijn genade is u genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht” (2 Kor. 12:9). Dit woord heeft mij bevrijd van de waan dat ik perfect moest zijn; het herinnerde mij eraan dat het ambt niet alleen op mijn eigen krachten rust, maar op Gods trouw.
Het tweede woord komt van mijn vader: “Alleen God weet wat er van je zal worden.” Zacht uitgesproken, drukte het een nederig en vredig vertrouwen uit. Door deze woorden begeleidde mijn vader mij zonder mijn toekomst te willen sturen of mij een weg op te leggen. Hij erkende dat ieder vrijelijk op de roeping van God reageert volgens zijn eigen geweten. Deze zin opende een ruimte van vrijheid en toonde tegelijkertijd zijn hoop, zijn respect voor mijn persoonlijke weg en zijn overtuiging dat elk leven een mysterie blijft dat door God wordt gedragen.
Het onderhoud met de toelatingscommissie was eveneens een belangrijk moment. Ik ontmoette daar veeleisende en welwillende gesprekspartners, die erop bedacht waren een juist oordeel te vellen. Hun blik heeft me geholpen mijn drijfveren beter te begrijpen en mijn roeping te verduidelijken.
Tijdens mijn proefperiode had ik de genade begeleid te worden door toegewijde en oplettende voorgangers. Hun aanwezigheid was van onschatbare waarde: ze wisten me te adviseren, vragen te stellen en soms mijn overtuigingen op de proef te stellen, altijd met respect. Ik heb daar geleerd dat het ambt nooit in eenzaamheid wordt beleefd, maar in een geest van traditie en samenwerking.
Nu mijn bevestiging nadert, wil ik graag een woord richten tot de gemeente die mij zal verwelkomen. Ik kom in alle nederigheid, in het besef dat we alles samen zullen opbouwen. Ik heb niet alle antwoorden, maar ik kom met het oprechte verlangen om aan uw zijde te lopen, te luisteren, te delen en samen met u te zoeken naar Gods wil voor onze gemeenschap. Ik hoop dat we een geest van openheid, vertrouwen en broederschap zullen weten te ontwikkelen, zodat iedereen er zijn plaats vindt en we samen getuigen zijn van een levende hoop.
Tot slot hebben mijn ouders mij de naam Byiringiro gegeven, wat ‘hoop’ betekent. Vanaf mijn geboorte begeleidt deze hoop mij. De bediening die zich vandaag voor mij opent, is dus geen eindpunt, maar een begin, dat ik met dankbaarheid, geloof en hoop verwelkom.

